"Het liberalisme houdt al sinds geruime tijd een eigenaardig soort hofnarren in dienst, wier opgave erin bestaat het liberalisme waarheden te vertellen die ongevaarlijk zijn geworden." - Ernst Jünger

Atheïsme en angst

Op zondag, 1 augustus 2010 21:02 door Ivo van Hemelryk

Over de vrees voor de echte werkelijkheid als de basis voor het atheïsme.

Meestal wordt in niet-gelovige kringen aangenomen dat de oorsprong van de religie ligt in een soort existentiële angst. Om die weg te nemen, creëerden godsdiensten en sekten een niet rechtstreeks waarneembare wereld waarmee wij in contact konden komen om onze angsten te overwinnen, of althans te verlichten. Voor zover wij het hebben over de vele vormen van bijgeloof, is het ongetwijfeld zo dat zij schijnzekerheden presenteren. Maar na het lezen van het boek “Waarom God niet verdwijnt” van Andrew Newberg, Eugene d’Aquili en Vince Rause – naar eigen schrijven onvervalste wetenschappers - kwam ik tot de omgekeerde conclusie. Hoe eigenaardig het ook mag lijken voor geesten die zich laten leiden door het rationalisme, is vrees niet de psychologische startbasis van echt geloof, maar wel van het atheïsme. Vrees namelijk (vanwege dit laatste) voor een werkelijkheid die het niet zou kunnen controleren via proefbuizen, metingen of gelijk welke rechtstreeks waarneembare prikkel van de menselijke hersenschors.

Alhoewel de logica ook atheïsten dicteert dat de werkelijkheid meer dan waarschijnlijk slechts beperkt controleerbaar is, verwerpen zij deze normale conclusie van een gezond werkende menselijke geest en klampen zij zich vast aan de “wetenschap” als een soort antireligieuze religie. Alsof die een onaantastbare zekerheid zou bieden. Nochtans biedt de geschiedenis van de wetenschappen ons voldoende voorbeelden die aantonen dat hetgeen voor wetenschap doorgaat steeds gebonden is aan heersende paradigma’s, dat het continu evolueert en dat het telkens opnieuw geconfronteerd wordt met tegenstrijdigheden of vervalsingen. Wetenschap is (evenals geloof) gebaseerd op vertrouwen, niet in een goddelijke instantie, maar in professor X , onderzoeker Y, bevindingen Z …., die morgen of overmorgen kunnen worden tegengesproken door X’, Y’ en Z’.

Wanneer wetenschap pretendeert iets meer te zijn dan een poging tot controle over het controleerbare, dan raakt zij op drift. Wetenschap weet niets over de nog niet gecontroleerde werkelijkheid, de verkeerd gecontroleerde werkelijkheid en de oncontroleerbare werkelijkheid. Met dit laatste verstaan we alles wat niet via de zintuigen naar het menselijk brein kan gezonden worden of dat niet, of slechts gedeeltelijk, door dat brein kan worden verwerkt. Godsdiensten situeren zich hoofdzakelijk in dit domein. Wie zich hiervoor spiritueel open stelt is geen angsthaas, maar een durver die zich confronteert met het onbekende en de menselijke grenzen aftast. Wie dit domein stelselmatig negeert en zich vastklampt aan het beperkte kennisgebied van een min of meer controleerbare werkelijkheid is in feite de echte angsthaas.

De angst voor niet rechtstreeks controleerbare werkelijkheden is een normale angst, die zelfs heiligen als St Thomas hebben ondervonden. In de grond is het een exponent van de angst om beetgenomen te worden, in de belachelijke positie van een goedgelovige terecht te komen of als achterlijk te worden beschouwd. Het vertrouwen in degenen die de geloofswaarheden aanbieden, inzonderheid in de oorspronkelijke verkondiger ervan, helpt de gelovige die normale angst te overwinnen. Maar ook gelovigen kunnen zich met verkeerde en nefaste angsten opzadelen, bijvoorbeeld in heksen, of zich vastklampen aan bepaalde onzinnige voorschriften, of angstig reageren op nieuwe wetenschappelijke theorieën. Dat noemen we dan bijgeloof. Een normale christelijke gelovige is echter iemand die een gedeelte van de angsten die ons allen belagen van zich af kon leggen, in vertrouwen op zijn Heer. Dit heeft statistisch bevestigde gunstige gevolgen voor de fysieke en psychologische gezondheid van de gelovige, hetgeen bevestigd wordt in het voormelde boek.

Echte godsdienstzin concentreert zich niet op de waarneembare wereld, maar is daarom geen aaneenschakeling van hallucinaties of goedkope verzinsels. Zij concentreert zich voor het grootste deel op werkelijkheden die niet rechtstreeks waarneembaar zijn, maar zij kan dit euvel compenseren, enerzijds via een doorgedreven logica en anderzijds door een waarheidsstreven dat zich gaandeweg versterkt. In tegenstelling tot het rationeel denken kenmerkt zij zich door een angstvermindering, onder andere ook voor de wetenschap zelf, waarvan zij de verworvenheden ernstig en eerlijk bestudeert. De waarneembare werkelijkheid is immers in de ogen van een gelovige slechts een vage reflectie van de totale werkelijkheid. Maar aangezien hij/zij aangewezen blijft op onze menselijke hersenen en hun beperkingen, blijft de materiële werkelijkheid de natuurlijke basis van zijn/haar denken. Van daaruit kan de gelovige mens opstijgen en ongekende geestelijke horizonten aanboren, zonder angst of valse schroom.

De geest van de echte gelovige is dus continu groeiend en “open”. Hij beleeft meer dan de geest van een zuiver rationeel ingesteld mens (in tegenstelling tot wat een bepaalde dagblad de huidige Vlaming met een reclameslogan tracht wijs te maken). Een open geest behoort aan hen die eerlijk de waarheid zoeken en niet aan zij die zich verschansen in een hooghartige wetenschappelijke egelstelling of die openstaan voor alle mogelijke nonsens die zich het epitheton “wetenschappelijk” hebben toegeëigend. Vanuit een onbevangen instelling maakt een gelovige zelfs meer kans op relevante conclusies of ontdekkingen, ook op zuiver wetenschappelijk terrein.

Het boek dat de aanleiding vormde voor deze reflectie werd klaarblijkelijk geschreven door rationeel denkende wetenschappers die de moed opbrachten om verder te speurneuzen dan de klassieke rationalist. Zij blijven wel verankerd in het actuele wetenschappelijke paradigma van de natuurlijke selectie als motor van de evolutie, terwijl men de evolutie beter kan begrijpen vanuit de wetenschappelijk constateerbare maar niet verklaarbare intelligentie, creativiteit en doelgerichte instandhoudingdrift waarmee alle leven begiftigd is. Hun darwinistisch geïnspireerde denkvorm brengt hen ertoe zelfs godsdienstzin als een element te beschouwen dat bepaalde evolutionaire voordelen bood en zich aldus gaandeweg sterker ingeplant heeft in de menselijke hersenen. De darwinistische kijk op de werkelijkheid is een typisch “wetenschappelijke”, waarbij de werkelijkheid wordt bestudeert vanuit het rechtstreeks waarneembare. Zij ziet mensen die dieren selecteren en aldus nieuwe rassen creëren en een  natuur die rassen en soorten dwingt zich aan te passen en trekt daaruit overtrokken conclusies. Maar de werkelijkheid kan ook op een andere wijze benaderd worden, zoals men bepaalde figuren door een hersenklik op twee verschillende wijzen kan bekijken en aldus tot twee tegenstrijdige resultaten kan komen. Men kan namelijk vertrekken vanuit de niet rechtstreeks zichtbare innerlijke werkelijkheid van de levensvormen en tot de veel relevantere conclusie komen dat daarin het echte en zeer complexe geheim van de evolutie schuilgaat.

Als neurobiologen onderzochten de auteurs de mogelijkheid tot mystieke ervaringen van de menselijke hersenen. Die liggen volgens hen aan de basis van alle godsdiensten. Deze unieke capaciteit van de menselijke hersenen wordt volgens de aangehaalde onderzoekingen op gang gebracht door controlemechanismen op de neuronenstromen die naar bepaalde hersengedeelten gestuurd worden. Door bepaalde spirituele of meditatieve technieken kan iemand via deze mechanismen zichzelf in een toestand van “eenheid” met de algehele werkelijkheid brengen. Ook extreme omstandigheden (zoals langdurige honger) kunnen gedeeltelijk zulke toestand teweegbrengen. Volgens hen is deze capaciteit evolutionair verklaarbaar en zou zij waarschijnlijk een verdere ontwikkeling zijn van de voordien ontwikkelde genot- en extasemogelijkheden welke gepaard gaan met seksuele handelingen.

Deze laatste veronderstelling is echter zeer speculatief en onbewezen. Seksueel genot wordt immers op gang gebracht door hoofdzakelijk lichamelijke activiteiten, terwijl het spiritueel extaseniveau bereikt wordt door louter geestelijke inspanningen. Persoonlijk heb ik de sterke indruk dat de mogelijkheid tot het bereiken van een toestand van mystieke eenwording in verband staat met de noodzaak van onze hersenen om zich te kunnen ontlasten van de angsten waarmee zij worden gekweld. Het is immers zo dat de mysticus enkel het stadium van “eenheid” of van een Godservaring kan bereiken door zichzelf volledig te verliezen. Hij moet er dus in slagen om zijn angsten achter zich te laten, zijn ego te laten opgaan in een groter geheel en aldus een hoger bewustzijnniveau te bereiken. Het heeft mijns inziens dus meer te maken met de ontspanningsmogelijkheden die de slaap begeleiden, waarin ieder van ons al eens een haast mystieke droom kan hebben. Als alle godsdiensten dus het gevolg zijn van de menselijke capaciteit tot mystieke eenwording met de oncontroleerbare hogere werkelijkheid, dan volgt het logisch besluit dat zij allen te danken zijn aan mensen die hun angsten van zich af konden schudden.

De resultaten van hun neurologisch onderzoek leidden deze rationalistische denkers tot het besluit dat de hogere werkelijkheid die door mystici werd waargenomen minstens even “reëel” was als de alledaagse werkelijkheid die we rechtstreeks kunnen waarnemen. Dit is ongetwijfeld een baanbrekend inzicht, dat er hopelijk zal toe leiden om de achterdocht van veel huidige wetenschappers ten aanzien van alles wat met religie te maken heeft, te milderen en eventueel tot een openstaande houding te transformeren. Maar er is nog meer af te leiden uit hun resultaten. Zij schijnen aan te tonen dat de basis van alle religies dezelfde is: de capaciteit van de mens (of althans sommige mensen) om in contact te treden met het bovennatuurlijke.

Dit inspireerde de auteurs om in hun slothoofdstuk lyrische beschouwingen te hebben over de uiteindelijke verbroedering van de wereldgodsdiensten en zelfs van wetenschap en godsgeloof. Maar de God die zij ontdekt hebben via hun experimenten blijft een eerder abstract en theoretisch begrip. Een God die niet enkel een universeel eenheidsprincipe is, maar veel concreter, die zich bekommerd over zijn schepselen en zich bewust is van hun noden en zwakheden, die zich zelfs de moeite getroost om daadwerkelijk mee- en voor te leven, m.a.w. de God der christenen, die schijnen ze nog niet echt ontdekt te hebben. Maar geen nood, als ze zonder angst blijven verder redeneren, komen zij Hem wel tegen.